Helaas, deze regeling is verlopen, maar er zijn wel andere interessante regelingen voor je beschikbaar.
Bekijk alle regelingen
Subsidies

Subsidieprogramma Innovatieprogramma Kaderrichtlijn Water

De inzet van het Innovatieprogramma Kaderrichtlijn Water is onder meer dat uit eerdere succesvolle innovaties slimme, kosteneffectieve maatregelen voor de uitvoering van de KRW gaan voortvloeien en innovaties voortaan ook zonder financiële impulsen tot stand komen, alsmede dat de positie van de Nederlandse watersector wordt versterkt. Dit subsidieprogramma ziet zowel op praktijkpilots om nieuwe technieken en samenwerkingsvormen uit te testen als op de stimulering van innovaties op het vlak van kennisontwikkeling. Het programma is bestemd voor zowel provincie, gemeente, waterschap, openbaar lichaam, gemeenschappelijk orgaan of onderzoeksinstellingen als wel voor ondernemingen. Ook samenwerkingsverbanden kunnen een aanvraag indienen.

Status:
Gesloten
Jaarbudget:
Variabel
Per uitgifte
Afhankelijk van aanvraag
Indientermijn:
Doorlopend

Realiseer jouw ambitie

Realiseer jouw ambitie

Meld je hier aan

§ 2. Subsidiabele projecten

De minister kan op aanvraag subsidie verlenen voor een: a. industrieel onderzoeksproject; b. experimenteel ontwikkelingsproject; c. milieu-investeringsproject, uitsluitend voor zover het een praktijkexperiment, demonstratieproject of eerste-toepassingsproject betreft; d. combinatieproject.

§ 3. Weigeringsgronden

1. De minister verleent geen subsidie indien: De geraamde subsidie minder bedraagt dan de in § 4, vijfde tot en met tiende lid, genoemde bedragen dan wel de aanvraag voor het overige niet voldoet aan het bepaalde in dit subsidieprogramma; 2. De minister verleent geen subsidie aan een grote onderneming voor een industrieel onderzoeksproject of een experimenteel ontwikkelingsproject, tenzij de betrokken onderneming bij de aanvraag schriftelijk aantoont dat de subsidie leidt tot: a. een wezenlijke toename van de omvang of reikwijdte van het project of de activiteit, b. een wezenlijke toename van de totale uitgaven van de subsidieontvanger voor het project of de activiteit, of c. een wezenlijke toename van de snelheid waarmee het betrokken project of de betrokken activiteit wordt ontplooid. 3. De minister verleent geen subsidie aan een grote onderneming voor een milieu-investeringsproject, tenzij de betrokken onderneming bij de aanvraag schriftelijk aantoont dat zonder de subsidie niet voor het milieuvriendelijker alternatief zou zijn gekozen. Daartoe verstrekt de betrokken onderneming gegevens die aantonen dat: a. de referentiesituatie geloofwaardig is; b. de subsidiabele kosten zijn berekend overeenkomstig artikel 18 van de kaderregeling; c. de investering in het project zonder subsidie niet voldoende rendabel is, rekening houdend met de eventuele voordelen die de investering zonder subsidie met zich meebrengt, met inbegrip van de waarde van verhandelbare vergunningen die voor de betrokken onderneming beschikbaar komen na de milieuvriendelijke investering. 4. Als termijn waarbinnen het project moet worden voltooid als bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel c, van de kaderregeling wordt vastgesteld 1 januari 2012.

§ 4. Subsidieplafond en minimale en maximale hoogte van de subsidie 1.

Het subsidieplafond bedraagt € 39,5 miljoen. 2. Van het bedrag, genoemd in het eerste lid, is € 4 miljoen beschikbaar voor: a. industriële onderzoeksprojecten; b. experimentele ontwikkelingsprojecten; en c. combinatieprojecten die bestaan uit een combinatie van projecten als bedoeld in onderdeel a en b. 3. Van het bedrag, genoemd in het eerste lid, is € 35,5 miljoen beschikbaar voor: a. milieu-investeringsprojecten; en b. combinatieprojecten die bestaan uit een combinatie van een project als bedoeld in onderdeel a en een project als bedoeld in het tweede lid van deze paragraaf. 4. Indien, na rangschikking als bedoeld in § 5, eerste lid, het beschikbare bedrag, genoemd in het tweede of derde lid, niet wordt bereikt, kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het voor de andere projecten beschikbare bedrag, voor zover het voor die projecten beschikbare bedrag niet voldoende is om alle voor die projecten ingediende en in de rangschikking opgenomen aanvragen te honoreren. 5. Voor een industrieel onderzoeksproject bedraagt de subsidie ten hoogste: a. voor een provincie, gemeente, waterschap, openbaar lichaam, gemeenschappelijk orgaan of onderzoeksinstelling: 75 procent van de subsidiabele projectkosten; b. voor een kleine onderneming: 70 procent van de subsidiabele projectkosten; c. voor een middelgrote onderneming: 60 procent van de subsidiabele projectkosten; d. voor een grote onderneming: 50 procent van de subsidiabele projectkosten; tot een maximumsubsidie van € 1.000.000,– per aanvraag, met dien verstande dat geen subsidie wordt verleend indien de door de Minister geraamde subsidie minder zou bedragen dan € 100.000,–. 6. Voor een experimenteel ontwikkelingsproject bedraagt de subsidie ten hoogste: a. voor een provincie, gemeente, waterschap, openbaar lichaam, gemeenschappelijk orgaan of onderzoeksinstelling: 75 procent van de subsidiabele projectkosten; b. voor een kleine onderneming: 45 procent van de subsidiabele projectkosten; c. voor een middelgrote onderneming: 35 procent van de subsidiabele projectkosten; d. voor een grote onderneming: 25 procent van de subsidiabele projectkosten; tot een maximumsubsidie van € 1.000.000,– per aanvraag, met dien verstande dat geen subsidie wordt verleend indien de door de Minister geraamde subsidie minder zou bedragen dan € 100.000,–. 7. In geval van een samenwerkingsverband voor de uitvoering van een project als bedoeld in het vijfde of zesde lid wordt de subsidie per deelnemer afzonderlijk berekend, tot een maximum van € 1.000.000,– voor het samenwerkingsverband als geheel, met dien verstande dat geen subsidie wordt verleend indien de door de Minister geraamde subsidie in totaal minder zou bedragen dan € 100.000,–. 8. Voor een milieu-investeringsproject van een provincie, gemeente, waterschap, openbaar lichaam, gemeenschappelijk orgaan of een onderzoeksinstelling bedraagt de subsidie ten hoogste 70 procent van de subsidiabele projectkosten tot een maximumsubsidie van € 7.500.000,–, met dien verstande dat geen subsidie wordt verleend indien de door de Minister geraamde subsidie minder zou bedragen dan € 400.000,–. 9. Voor een milieu-investeringsproject van een onderneming bedraagt de subsidie ten hoogste: a. voor een kleine onderneming: 70 procent van de subsidiabele projectkosten; b. voor een middelgrote onderneming: 60 procent van de subsidiabele projectkosten; c. voor een grote onderneming: 50 procent van de subsidiabele projectkosten; tot een maximum subsidie van € 7.500.000,– per aanvraag, met dien verstande dat geen subsidie wordt verleend indien de door de Minister geraamde subsidie minder zou bedragen dan € 100.000,– voor een kleine of middelgrote onderneming of minder dan € 200.000,– voor een grote onderneming. 10. In geval van een samenwerkingsverband voor de uitvoering van een project als bedoeld in het achtste of negende lid wordt de subsidie per deelnemer afzonderlijk berekend, tot een maximum subsidie van € 7.500.000,– voor het samenwerkingsverband als geheel, met dien verstande dat geen subsidie wordt verleend indien de door de Minister geraamde subsidie in totaal minder zou bedragen dan: a. € 400.000,– wanneer een provincie, gemeente, waterschap, openbaar lichaam, gemeenschappelijk orgaan of onderzoeksinstelling deel uitmaakt van het samenwerkingsverband; b. € 100.000,– wanneer uitsluitend kleine en middelgrote ondernemingen deel uitmaken van het samenwerkingsverband; c. € 200.000,– wanneer uitsluitend kleine of middelgrote ondernemingen en grote ondernemingen deel uitmaken van het samenwerkingsverband. 11. Voor een milieu-investeringsproject van een provincie, gemeente of waterschap bestaan de subsidiabele kosten uit de in artikel 12, eerste lid, van de kaderregeling opgenomen subsidiabele kosten en uit de noodzakelijke kosten voor bouwkundige voorzieningen. 12. Voor een combinatieproject bedraagt de subsidie maximaal, onverminderd het bepaalde in het zevende en tiende lid, het totaal van de subsidiebedragen per projectonderdeel, berekend overeenkomstig de voor dat projectonderdeel geldende percentages en minimale en maximale subsidiebedragen, met dien verstande dat het minimale subsidiebedrag wordt berekend naar rato van het procentuele aandeel van het betreffende projectonderdeel in het combinatieproject.

§ 5. Verdeling van de gelden en rangschikkingscriteria 1.

De verdeling van de beschikbare gelden vindt plaats op basis van rangschikking van de subsidieaanvragen die in behandeling zijn genomen en niet zijn afgewezen en bovendien in voldoende mate aan de in het tweede lid vermelde criteria voldoen. 2. De rangschikking geschiedt op basis van de volgende criteria: a. de mate waarin het project bijdraagt aan de beleidsopgave van de Kaderrichtlijn Water in de zin van de verbetering van de chemische of ecologische kwaliteit van het Nederlandse oppervlaktewater, afgezet tegen de verwachte kosten ervan, mede gelet op potentiële navolging of uitbreiding van het project; b. de mate waarin een project aantoonbaar vernieuwend is ten opzichte van gangbare maatregelen voor uitvoering van de Kaderrichtlijn Water; c. de andere positieve effecten die uit het project voortvloeien; d. de organisatie van het project, inhoudende de kwaliteit van de uitvoerders, de planning, de indicatoren voor het meten van effecten en de wijze waarop de communicatie en de overdracht van kennis en ervaring plaatsvindt, alsmede de betrokkenheid bij het project van relevante partijen en de mate waarin deze partijen financieel aan het project bijdragen. 3. Het resultaat van de beoordeling op basis van de criteria, genoemd onder a en b, weegt elk voor 35 procent in de rangschikking mee, de criteria onder c en d elk voor 15 procent. 4. Indien twee of meer aanvragen na rangschikking op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen en deze plaats samenvalt met het bereiken van het subsidieplafond, wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

§ 6. Aanwijzing uitvoeringsinstantie

Als uitvoeringsinstantie als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel l, van de kaderregeling wordt aangewezen Dienst Uitvoering, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken.

§ 7. Indiening van aanvragen

1. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een volledig ingevuld aanvraagformulier als bedoeld in bijlage A van dit subsidieprogramma. Alle aanvragen moeten bij Dienst Uitvoering uiterlijk 6 november 2009 om 17.00 uur zijn ontvangen. 2. Een aanvraag kan ook worden ingediend door twee of meer aanvragers gezamenlijk die aan de hand van een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst een samenwerkingsverband vormen. De aanvraag wordt ingediend door een van de aanvragers uit het samenwerkingsverband die als penvoerder de overige aanvragers vertegenwoordigt. Alle correspondentie over de subsidie wordt door Dienst Uitvoering gevoerd met de penvoerder. Ook de uitbetaling van de subsidie, waaronder begrepen de uitbetaling van de eventuele voorschotten, geschiedt via de penvoerder. De penvoerder wordt door de andere aanvragers van het samenwerkingsverband gemachtigd om de subsidie aan te vragen, de correspondentie over de subsidie te voeren en de subsidie te ontvangen. 3. Een aanvraag wordt gericht aan de minister van Verkeer en Waterstaat en ingediend bij Dienst Uitvoering te Den Haag.  Aanvragen kunnen worden gestuurd aan: De minister van Verkeer en Waterstaat P/a Dienst Uitvoering Postbus 93144 2509 AC Den Haag Bezoekadres: Juliana van Stolberglaan 3, 2595 CA Den Haag. Telefax: 070-3735100. Een per telefax of e-mail ingediende aanvraag geldt niet als elektronische indiening van een aanvraag maar als een onvolledige aanvraag, omdat een originele handtekening ontbreekt, ook al is de aanvraag voor het overige compleet. Met het indienen van een aanvraag per telefax of per e-mail kan derhalve alleen worden bereikt dat een aanvraag, zij het onvolledig, op tijd bij Dienst Uitvoering wordt ontvangen. De tijdige ontvangst van een per telefax of e-mail ingediende aanvraag komt voor rekening en risico van de aanvrager. Elektronische indiening van een aanvraag kan uitsluitend geschieden overeenkomstig de procedure die Dienst Uitvoering daarvoor heeft vastgesteld. Dit houdt onder meer in dat de ondertekening van de aanvraag plaatsvindt door middel van een elektronische handtekening met een bij Dienst Uitvoering aan te vragen certificaat. 

§ 8. Afwijkende bevoorschotting voor gemeenten en provincies 1.

In afwijking van artikel 44 van de kaderregeling kan bij een beschikking tot subsidieverlening aan een gemeente of een provincie ambtshalve een voorschot worden verleend tot maximaal 50 procent van het verleende subsidiebedrag. 2. Indien de beschikking tot subsidieverlening aan een gemeente of provincie de verplichting tot verslaglegging bevat als genoemd in artikel 39 van de kaderregeling, kan telkens na ontvangst van een schriftelijk verslag ambtshalve een aanvullend voorschot van 10 procent van het verleende subsidiebedrag worden verleend tot ten hoogste 80 procent van de verleende subsidie, tenzij de voortgang van het project in belangrijke mate achterblijft bij de voortgang op basis van het projectplan.

§ 9. Subsidievaststelling 1.

De subsidieontvanger richt een aanvraag tot subsidievaststelling aan de minister en dient deze in bij Dienst Uitvoering met behulp van het formulier dat bij Dienst Uitvoering verkrijgbaar is en, voor zover nodig, met gebruikmaking van het in artikel 45, derde lid, van de kaderregeling genoemde controleprotocol dat is opgenomen in bijlage B. 2. In geval van een samenwerkingsverband wordt bij de aanvraag tot subsidievaststelling overeenkomstig artikel 45, derde lid, van de kaderregeling uitsluitend een accountantsverklaring overgelegd ten aanzien van de door individuele aanvragers van het samenwerkingsverband gemaakte en betaalde kosten, wanneer het bedrag van de subsidie waarvoor vaststelling wordt verzocht in verband met de door de betreffende individuele aanvrager gemaakte en betaalde kosten hoger is dan € 50.000,–. § 10.

Afwijkende subsidievaststelling voor gemeenten en provincies 1.

Voor een gemeente of een provincie zijn de artikelen 36 en 45 van de kaderregeling niet van toepassing. 2. De gemeente of provincie waaraan een subsidie is verleend legt jaarlijks verantwoording af over de besteding daarvan conform artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. 3. Als in de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het tweede lid, is opgenomen dat het project is afgerond, geldt deze mededeling als een aanvraag tot vaststelling van de subsidie. 4. De minister geeft de beschikking tot vaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie.

Gebruikersnotities regeling/verstrekker

Deel je kennis/ervaring over deze regeling of verstrekker met de Fondswervingonline community.

Contact

Gebruikersnotities regeling

Deel je kennis/ervaring over deze regeling of verstrekker met de Fondswervingonline community.

Maak een notitie

Funding informatie

Wij ondersteunen deze organisatie types
Bedrijf Non-profit Overheid
Onze aandacht gaat uit naar
Innovatie en technologie
Wij zijn werkzaam in
Nederland
Deel deze pagina

Deze informatie bekijken?

Begin direct met het realiseren van jouw ambities. We helpen je met het vinden en aanvragen van financiële middelen voor je organisatie of project!
  • Eenvoudige navigatie: Vind moeiteloos je weg door meer dan 4000 regelingen met ons intuïtieve platform.
  • Real-time alerts: Mis nooit meer een kans met onze gepersonaliseerde meldingen.
  • Effectief beheer: Houd subsidies en fondsen overzichtelijk bij met je eigen dashboard.

Word nu lid

Je bent al lid voor slechts € 55,- per maand!