De Europese onderzoeksruimte omvat alle middelen waarover de Gemeenschap beschikt om de onderzoeks- en innovatieactiviteiten beter te coördineren, zowel op het niveau van de lidstaten als op dat van de Europese Unie. De Europese onderzoeksruimte heeft tot doel bij te dragen aan het totstandbrengen van gemeenschappelijk onderzoeksbeleid. Dit wordt gezien als een beslissende ambitie van de Europese Unie.
De ingezette middelen in de Europese onderzoeksruimte moeten het mogelijk maken:
- gegevens uit onderzoeken te delen
- de resultaten met elkaar te vergelijken
- multidisciplinaire studies op te zetten
- nieuwe wetenschappelijke kennis over te dragen en/of te beschermen
- de toegang tot centra van uitmuntendheid en tot de meest geavanceerde installaties te vergemakkelijken
Subsidie in het kort
De Europese Commissie stelt kaderprogramma's op die invulling geven aan het onderzoeksbeleid van de Unie.
Het begrip Europese Onderzoeksruimte is in september 2000 door de Commissie ingesteld, met het idee om in Europa aantrekkelijke kansen te kunnen bieden voor onderzoekers. Tot dan toe ondervond het onderzoek op Europees niveau allerlei moeilijkheden: de verbrokkeldheid van de inspanningen, de hoge muren tussen de nationale onderzoekssystemen, de discrepanties tussen de administratieve en regelgevingssystemen en de beperkte investeringen in kennis.
Een belangrijke doelstelling van het gemeenschappelijk onderzoeksbeleid i is om in 2010 3% van de nationale inkomens te besteden aan R&D. In 2005 was dat nog slechts 1,8%. Het private aandeel in R&D is in Europa laag (55%) vergeleken met de VS en Japan (64% en 75%, cijfers 2004).
Een probleem in de EU is het behouden van wetenschappers. In de lidstaten van de EU slagen meer studenten voor technische studies dan in de rest van de wereld. Ook hebben we het hoogste aantal promovendi in dit soort vakgebieden. Toch vinden deze wetenschappers in de EU minder snel werk dan in de VS en Japan. Veel wetenschappers vertrekken daarom voor een carrière elders.