Donateur is geen flappentap

Interview met Jolan van den Broek, hoofd Communicatie & Fondsenwerving bij de KNRM. De Koninklijke Nederlandse Reddingmaatschappij houdt al sinds 1824 haar eigen broek op en ontvangt geen fondsen uit publieke middelen. De financiering van de KNRM kent drie ongeveer even grote componenten: rendement op vermogen, nalatenschappen en de 95 duizend donateurs. De donateurs voelen zich sterk betrokken bij de organisatie. 

Foto: Jolan van den Broek, hoofd Communicatie & Fondsenwerving bij de KNRM

Door Floris Dogterom

De Koninklijke Nederlandse Reddingmaatschappij houdt al sinds 1824 haar eigen broek op en ontvangt geen fondsen uit publieke middelen. De donateurs voelen zich sterk betrokken bij de organisatie. 

Al 193 jaar lang heeft de Koninklijke Nederlandse Reddingmaatschappij nog nooit een cent subsidie ontvangen. Die bewering klopt bijna, zegt Jolan van den Broek, hoofd Communicatie & Fondsenwerving bij de KNRM. “Omdat de overheid ons verplicht om, net als onder meer de politie en de brandweer, het communicatiesysteem C2000 te gebruiken, krijgen we daarvoor een ton subsidie per jaar, op een begroting van 18 miljoen. Maar dat is dan ook het enige.”

De KNRM wil dus geheel op eigen benen staan. Maar waarom? En waarom is een voor de Nederlandse samenleving onmisbare hulpverlener überhaupt een particuliere organisatie? De politie en de brandweer zijn tenslotte ook gewoon overheidsdiensten.

Het antwoord op die vragen is gelegen in de geschiedenis, legt Van den Broek uit. “In 1824 is een aantal notabelen in een gat gestapt dat de overheid liet liggen. Als je toen verdronk was dat pech, de wil van God. De overheid bekommerde zich niet om de veiligheid op zee. De oprichters van de Redding Maatschappij betaalden uit eigen zak de redders – 2 gulden 50 per reddingsactie. De reden dat we nu, 193 jaar later, geen subsidie willen, is dat we onze eigen koers willen varen. Daarbij gaat het vooral om de veiligheid van onze vrijwilligers, die voor ons het allerbelangrijkst is. Als je afhankelijk bent van subsidies is het lastiger om de koers vast te houden. De wind die uit Den Haag waait is veranderlijk. Dan is er weer extra geld voor iets, dan wordt er weer bezuinigd.” 

Redders aan de Wal

De financiering van de KNRM kent drie ongeveer even grote componenten: rendement op vermogen, nalatenschappen en de 95 duizend donateurs (Redders aan de Wal, in het KNRM-jargon).

“Het vermogen is deels vrij besteedbaar,” zegt Van den Broek. Het andere deel is geoormerkt. Iemand laat bijvoorbeeld een bedrag na voor een nieuwe boot voor reddingstation Schiermonnikoog. Maar dat is op dit moment niet nodig. Dan beleggen we dat geld totdat we wel een nieuwe boot nodig hebben.”

Gemiddeld 50 à 60 mensen vermelden jaarlijks de reddingmaatschappij in hun testament. De helft daarvan had al een relatie met de KNRM. De Redders aan de Wal, waaronder bedrijven, mogen zelf de hoogte van hun bijdrage bepalen. Soms organiseren ze zelf wat de KNRM met een heerlijk archaïsche term aanduidt als ‘een loffelijk initiatief’. Daarbij worden relaties van de donateur gevraagd om aan de KNRM te doneren, bijvoorbeeld bij wijze van cadeau voor zijn vijftigjarig huwelijk. 

Donateurs als partners

Nalaters en donateurs voelen zich volgens Van den Broek sterk betrokken bij de organisatie: “Vroeger hadden velen een koopvaardijachtergrond, tegenwoordig zijn het 40 procent watersporters. De andere 60 procent hebben wat ik noem een ‘algemeen goededoelenprofiel’. Ze hebben allemaal de bewondering gemeen voor de vrijwilliger die dit doet, die met windkracht 9 de Noordzee opgaat om andere mensen te helpen.”

De KNRM ziet de relatie met haar donateurs als partners, zegt Van den Broek. “Ik wil niet dat donateurs een flappentap zijn. Of je nou in die reddingboot stapt of een acceptgiro invult: we zijn allemaal KNRM’ers die oprecht vinden dat het redden van mensen op deze manier moet gebeuren. Dat vind ik het mooie van de KNRM. Voor mij is fondsenwerving mensen de gelegenheid geven om bij te dragen aan iets fantastisch.”

Heilige Graal

De KNRM zet geen grote reclamecampagnes in om vrijwilligers en donateurs aan te trekken, maar vertrouwt veeleer op free publicity. De reddingsacties worden door de vrijwilligers verslagen en bijvoorbeeld beschreven in verslagen op de website, die de vrijwilligers dan weer delen op social media. Er zijn goede contacten met lokale en landelijke pers. Een ander medium is De Reddingboot, het blad voor de donateurs. De populairste rubriek daarin is het logboek, met een overzicht van de reddingsacties van de afgelopen maanden. “Als je dat leest, denk je: dat had mij ook kunnen overkomen,” zegt Van den Broek. “Dat werkt wervend.”

Ze ziet twee trends in het huidige fondsenwervingslandschap: enerzijds meer persoonlijke aandacht voor donateurs en anderzijds online werving. Van den Broek hoopt dat het in de nabije toekomst makkelijker wordt om online te doneren, “de Heilige Graal van fondsenwervers. Denk aan Tikkie. Goede doelen zouden ook van zo’n platform gebruik moeten kunnen maken. We kopen al wel makkelijk online, maar echt succesvolle werving zie ik nog niet zoveel. Wat dat betreft vind ik de NIKS-campagne van Greenpeace briljant. Daar ben ik echt jaloers op.”

Vrijwillige redders op zee

Sinds 1824 redt en helpt de KNRM op zee en open binnenwater. De organisatie drijft grotendeels op ruim 1300 professionele, goed getrainde vrijwilligers, die zich belangeloos inzetten. Bij de 45 reddingstations langs de Noordzee- en IJsselmeerkust zijn 10 beroepsschippers in dienst; de overige schippers zijn ook vrijwilliger. Bij het hoofdkantoor in IJmuiden werken nog eens 50 betaalde krachten.