Kunst, cultuur en media

Vrij besteedbare subsidie voor kunst: € 10.000 voor de maker, € 50.000 voor de organisatie

Cratief collectief - Kunstenaars - Coolectief - WORM - Fotografen - Fotografie

Vrijwel elke subsidieaanvraag begint met dezelfde vraag: wat ga je doen? Je schrijft een plan, je begroot een activiteit, je koppelt er een resultaat aan. Het subsidiegeld volgt het project. Wat het geld zelden volgt, is de mens of de organisatie die dat project mogelijk maakt: de uren van het kernteam, de huur van het kantoor of atelier, de maand waarin een kunstenaar niets presenteert maar wel moet eten. Dat is geen toeval, maar een structuurkenmerk van het subsidielandschap.

Twee openstellingen die de maker en de organisatie financieren

Op 1 september 2026 gaan twee regelingen open die op precies dat punt afwijken van de gangbare praktijk. De ene richt zich op de individuele kunstenaar en vergoedt levensonderhoud, atelierhuur en professionele ontwikkeling. De andere richt zich op de non-profitorganisatie die kunstenaars ondersteunt en vergoedt salarissen, huur en vaste lasten. Beide zonder bestedingsverantwoording, beide zonder projectplan.

Dit artikel is bedoeld voor kunstenaars die hun praktijk willen kunnen volhouden, en voor fondsenwervers, zakelijk leiders en subsidiecoördinatoren bij kunst- en cultuurorganisaties die vastlopen op de vraag wie hun overhead betaalt. We schetsen eerst waarom kernkosten zo zelden gefinancierd worden, en beschrijven daarna beide routes, met bedragen, voorwaarden en de praktische valkuilen in de aanvraag.

Waarom overhead en levensonderhoud zelden gesubsidieerd worden

Uit het rapport "Geven in Nederland 2024" blijkt dat 80 procent van door vermogensfondsen verstrekte subsidies naar projecten gaat. Vrij besteedbare subsidies maken maar voor 4 procent deel uit van de bestedingen. De helft van de 61 onderzochte fondsen doet wel aan kernfinanciering, maar het aandeel daarvan in het totaal blijft klein.

De onderzoekers wijzen op een bekend neveneffect: organisaties die vooral projectmatig worden gefinancierd, kunnen terechtkomen in wat de "starvation cycle" wordt genoemd. Omdat elke euro aan een activiteit gekoppeld moet zijn, komt er steeds meer druk te staan op het besnoeien van de operationele kernkosten. Wie zichzelf jarenlang op die manier financiert, houdt een groeiend activiteitenprogramma over op een steeds dunnere organisatie.

In de regelingen zelf zie je hetzelfde patroon terug. Bij projectsubsidies geldt vaak dat reguliere activiteiten, oftewel de structurele activiteiten die een organisatie in haar dagelijkse bedrijfsvoering ontplooit, niet subsidiabel zijn. Waar overhead wel wordt geaccepteerd, gebeurt dat gemaximeerd: bij een grootstedelijk cultuurfonds mag overhead bijvoorbeeld hoogstens 7 procent van de totale projectbegroting bedragen. En bij vermogensfondsen is de standaardformulering dat in beginsel geen bijdragen worden verstrekt in exploitatiekosten.

Vrij besteedbaar geld bestaat wel degelijk, maar het zit meestal achter een drempel. Het gaat om meerjarige beschikkingen voor instellingen die al in een subsidiestructuur zitten, om loterijgeld voor een vaste kring beneficianten, of om ontwikkelingsbijdragen die alsnog een werkplan, een inkomenstoets en een disciplineafbakening kennen. Een open call waarbij een organisatie of kunstenaar zonder bestaande relatie met de verstrekker geld voor kernkosten kan aanvragen, is zeldzaam. Dat maakt de twee onderstaande routes de moeite van het bekijken waard, ook als je normaal gesproken niet internationaal aanvraagt.

Subsidieroute 1: de maker

Geld voor tijd, ruimte en levensonderhoud

De eerste route richt zich op de individuele kunstenaar en subsidieert geen werk, maar de omstandigheden waaronder werk kan ontstaan. Tien kunstenaars ontvangen elk € 10.000, uitbetaald in tien maandelijkse termijnen van € 1.000. Die uitbetalingsvorm is inhoudelijk relevant: het functioneert als een tijdelijk basisinkomen in plaats van als een projectbudget.

De besteding is vrij. In de regeling worden expliciet genoemd: levensonderhoud tijdens de ontwikkeling van je artistieke praktijk, huur van een werkruimte of atelier, materialen en apparatuur, betaalde cursussen en professionele ontwikkeling, betaling van medewerkers met wie je samenwerkt, en een residentie of onderzoeksreis, ook buiten Europa. Bonnen of een financiële verantwoording zijn niet nodig. Na afloop vul je wel een enquête in over je besteding.

Voor wie
Individuele kunstenaars die zichzelf zien als opkomend kunstenaar, met minimaal 2 en maximaal 10 jaar professionele ervaring, geboren in of vóór 2005. Je identificeert je als behorend tot een ondervertegenwoordigde groep, of je ervaart stelselmatig drempels in loopbaan, zichtbaarheid of toegang. Je praktijk bevat collectieve of gezamenlijke processen die je gemeenschap betrekken of ten goede komen. Je hebt een actuele website of een openbaar sociaal-mediaprofiel waarop je werk te zien is.

Bedrag en werkgebied
€ 10.000 per kunstenaar, tien toekenningen, jaarbudget € 100.000. Je moet gevestigd zijn in een van tien Europese landen, waaronder Nederland, en beschikken over een persoonlijke IBAN-rekening op je eigen naam in dat land.

Deadline
1 oktober 2026, 11.00 uur CET. Aanvragen kan vanaf 1 september 2026.

Waarom deze subsidieroute bijzonder is
Je dient geen plan in, maar afgerond werk. Projectvoorstellen en plannen voor toekomstig werk worden niet beoordeeld. Dat draait de gangbare logica om: je wordt niet beoordeeld op wat je belooft, maar op wat je al hebt laten zien.

Bekijk de volledige regeling voor individuele kunstenaars

Subsidieroute 2: de organisatie

Salarissen en vaste lasten in plaats van projectkosten

De tweede route is de spiegel van de eerste. Waar de eerste de kunstenaar subsidieert, subsidieert deze de organisatie die kunstenaars ondersteunt zonder daar zelf een verdienmodel of financiering voor te hebben. Tien non-profit kunstorganisaties ontvangen elk € 50.000, uitgekeerd in twee termijnen van € 25.000 in januari 2027 en januari 2028.

Voor fondsenwervers is dit het interessantste deel: de regeling noemt salarissen en personeelskosten van het kernteam, huur, kantoorkosten en andere vaste lasten, programmering en lopende activiteiten, en organisatieontwikkeling expliciet als bestedingsdoelen. Er geldt géén overheadpercentage en géén bestedingsverantwoording. Dit is dus geen projectsubsidie waarin je overhead probeert weg te schrijven, maar financiering van de organisatie zelf.

Let daarbij op een nuance die tot verkeerde aanvragen leidt. De regeling is organisatiegericht en niet projectgericht: projectvoorstellen en aanvragen voor lopende projecten worden uitgesloten. Je vraagt dus niet aan vóór een project, je vraagt aan als organisatie. Wat je met het toegekende geld doet, inclusief programmering, is vervolgens aan jou.

Voor wie 
Non-profit kunstorganisaties die tussen 2016 en 2024 zijn geregistreerd, met totale jaarlijkse uitgaven tussen € 50.000 en € 300.000, en die opkomende kunstenaars uit ondervertegenwoordigde groepen niet-financieel ondersteunen. Niet-financiële steun betekent hier ondersteuning in de vorm van tijd, kennis, ruimte of zichtbaarheid: mentoring, training, mobiliteit, residenties, netwerkvorming of presentatieplekken.

Bedrag en werkgebied
€ 50.000 per organisatie, tien toekenningen, jaarbudget € 500.000. Werkgebied zijn dezelfde tien Europese landen. Organisaties die elders zijn geregistreerd kunnen aanvragen via een fiscal host, een gastorganisatie die als non-profit in een van de tien landen is geregistreerd en de subsidie namens jou ontvangt en beheert. Daarvoor is een intentieverklaring nodig.

Deadline
1 oktober 2026, 11.00 uur CET. Selectie wordt vóór 21 november 2026 per e-mail geïnformeerd.

Waarom deze susbidieroute bijzonder is
De bovengrens van € 300.000 aan jaarlijkse uitgaven zorgt ervoor dat het geld terechtkomt bij organisaties waarvoor € 25.000 per jaar een substantieel deel van de begroting is. Voor een organisatie met een jaarbegroting van € 150.000 gaat het om ruim 16 procent aan structurele, ongeoormerkte dekking gedurende twee jaar.

Bekijk de volledige regeling voor kunstorganisaties

Welke subsidieroute past bij jou of je organisatie?

De twee routes sluiten elkaar niet uit binnen een netwerk, maar wel binnen één aanvraag. Deze vragen helpen bij de oriëntatie:

  • Vraag je aan als persoon of als rechtspersoon? De eerste route is uitsluitend voor individuele kunstenaars, de tweede uitsluitend voor geregistreerde non-profitorganisaties.
  • Waar zit je grootste knelpunt: in de productie van werk, of in de dekking van je vaste lasten? Deze regelingen zijn alleen interessant als het antwoord het tweede is.
  • Kun je publiek vindbaar bewijs laten zien? Beide routes beoordelen wat er al bestaat: recent werk bij de kunstenaar, actieve projecten bij de organisatie. Zonder publiek toegankelijke documentatie is een aanvraag kansloos.
  • Val je buiten de tien landen? Voor organisaties biedt een "fiscal host" wellicht een route, voor individuele kunstenaars niet.
  • Heb je vier weken de tijd? De video, de werklinks en bij organisaties het registratiebewijs met eventuele vertaling vragen doorlooptijd. De openstelling duurt één maand.

Veelgestelde vragen

  • Kun je met deze regelingen echt overhead financieren? 
    Bij de organisatiegerichte route wel. Salarissen en personeelskosten van het kernteam, huur, kantoorkosten en andere vaste lasten worden expliciet genoemd als toegestane besteding, zonder maximumpercentage. Dat wijkt af van de gangbare praktijk, waarin overhead bij projectsubsidies vaak wordt gemaximeerd of geheel wordt uitgesloten.
  • Moet je alweer een projectplan schrijven? 
    Nee, en dat is bij beide routes een uitsluitingsgrond in plaats van een vereiste. Projectvoorstellen worden niet beoordeeld. Je laat zien wat je hebt gedaan, niet wat je van plan bent.
  • Kan een organisatie ook aanvragen als ze eerder is afgewezen? 
    Ja. Organisaties die in eerdere jaren tevergeefs hebben aangevraagd, mogen opnieuw indienen. Eerdere ontvangers van een toekenning kunnen dat niet.
  • Wat gebeurt er als er meer dan honderd aanvragen binnenkomen? 
    Dan worden de geldige aanvragen gerangschikt. Aanvragers met minder toegang tot financiële middelen en met grotere systemische drempels krijgen voorrang. Vroeg indienen is dus geen garantie, maar op tijd indienen wel een voorwaarde.
  • Wat levert het naast geld op? 
    Bij beide routes toegang tot een netwerkprogramma met online bijeenkomsten, workshops en uitwisseling, en zichtbaarheid via de communicatiekanalen van de verstrekker gedurende het jaar na toekenning.

Gerelateerde fondsen en subsidies