Leer Zuidelijke organisaties om lokaal fondsen te werven!

Robert Wiggers, adjunct-directeur van Wilde Ganzen is al twaalf jaar bezig om organisaties in het Zuiden te leren hoe ze hun eigen kostje in hun eigen land bij elkaar kunnen scharrelen. Met groeiend succes! Inmiddels wordt het door Wilde Ganzen ontwikkelde programma in twaalf landen uitgevoerd. “Elke Westerse ontwikkelingsorganisatie moet haar lokale partners leren om lokaal fondsen te werven.”

Tekst: Janneke Juffermans

Westerse landen zijn allang niet meer alleen maar rijk. Sommige Nederlandse kinderen gaan zonder eten naar school. Er zijn meisjes in Engeland die geen maandverband meer kunnen kopen. Het omgekeerde geldt ook voor zogenaamde ‘arme’ landen. Die bestaan allang niet meer uit bijna alleen maar armen. In veel Afrikaanse landen groeit de middenklasse, maar ook de zeer rijke elite. Toch blijven Westerse ontwikkelingsorganisaties maar hier in Europa of in de VS geld werven om daar aan lokale organisaties te geven die het weer inzetten voor projecten gericht op hun arme bevolkingsgroepen. Is dat van hier naar daar nog wel logisch? Het moet en kan anders, vindt ook Robert Wiggers, manager programma’s en adjunct-directeur van Wilde Ganzen.

Hoe ben je op het idee gekomen om organisaties te stimuleren lokaal fondsen te werven?

“Zeventien jaar geleden werkte ik nog bij een grote ontwikkelingsorganisatie: ICCO. Net zoals veel andere donoren, waren we onderhevig aan invloeden. Thema’s die opkwamen of weer afnamen;  veranderende landenvoorkeuren van onze institutionele donoren. In december 1994 maakte ik een dienstreis voor ICCO naar Congo om alle partnerorganisaties in Centraal- en West-Congo te vertellen dat we gingen stoppen. De partners reageerden geschokt. Ze vertelden dat ze net dezelfde boodschap hadden gekregen van Brot für die Welt, Danchurch Aid, Christian Aid en een aantal andere internationale ngo’s. Hun organisaties zouden omvallen, vertelden de Congolezen. Dat deed me realiseren hoe gevaarlijk het is voor partnerorganisaties om zo afhankelijk te zijn van hun donoren. Enkele jaren later was ik op een donorbijeenkomst van de Braziliaanse ngo CESE, waar allerlei internationale donoren bijeen waren. Ze vertelden dat het fondsenwerven in Europa niet goed lukte en ze nog niet konden zeggen hoeveel geld CESE de volgende jaren zou ontvangen. Ik had een déjà vu, nam het woord en zei dat er veel mogelijkheden moesten zijn om in Brazilië zelf fondsen te werven: de middenklasse groeide en het bedrijfsleven floreerde. Na deze bijeenkomst nodigden directie en bestuur mij uit om een workshop te komen geven over lokale fondsenwerving.

En?

Toen ik het aan mijn toenmalige baas voorlegde zei die: dat gaan we niet doen en die organisaties hoeft zich geen zorgen te maken, die zullen we nog jaren blijven steunen. Dat bleek niet het geval. Na twee jaar verminderden we de financiering en niet veel later werd die stopgezet. Ik ben toen als consultant tóch gegaan en veel meer organisaties bleken hiervoor open te staan.

Waarom was dit nog zo nieuw dan?

Ik herinner me nog heel goed dat ik in Kenia bij een lokale organisatie op een gegeven moment vroeg waarom ze niet al zelf fondsen wierven. Toen stak een van de deelnemers zijn hand uit met zijn palm naar boven om aan te geven dat dit precies is wat mensen gewend zijn. De middelen komen van ons, het westen en niet van de buurman in de straat. Toen ik zeventien jaar geleden bij Wilde Ganzen in dienst kwam, was men meteen enthousiast om het lokaal fondsenwerven breder op te pakken. Daar was ook al wat ervaring mee omdat Wilde Ganzen de Tsjechische ‘Wilde Ganzen’ had geholpen bij lokaal fondsenwerven.

We begonnen een pilot in vier landen: Zuid-Afrika, India, Kenia en Brazilië. We leidden bij zorgvuldige geselecteerde Nationale Partnerorganisaties lokale trainers op en die trainden organisaties en steunden ze met een bepaald bedrag om hun eigen fondswerving te verbeteren. De opgeleide trainers leidden de staf van kleine, lokale organisaties op. Met die training moesten ze middels fondsenwerving een vooraf afgesproken bedrag bijeenbrengen. De Nationale Partnerorganisatie verdubbelde dat dan en rapporteerde aan ons. Dat bleek heel goed te gaan, de enige organisatie bij wie het niet goed lukte was de Zuid-Afrikaanse organisatie, die had het te druk met rapporteren aan grotere donoren.

Toch had het programma een nadeel: de verdubbelingsmethodiek kostte veel geld. We zouden het nooit kunnen uitbreiden naar veel meer landen. Daarom hebben we de verdubbeling eruit gehaald. Omdat daarmee de prikkel om mee te doen minder werd, hebben we de training sterk geïntensiveerd en coaching toegevoegd. We zijn nu bezig met een pilot, in 12 landen. We doneren dus niet meer, maar geven alleen nog een zeer intensieve training van een half jaar, die is ontwikkeld in samenwerking met adviesbureau Himmelblau, communicatiebureau Podium en trainingsorganisatie MDF en onze Nationale Partnerorganisaties. Tijdens die training gaan lokale organisaties al meteen fondsenwerven. De organisaties moeten de training ook terug betalen. En dat lukt: in sommige gevallen verdienen ze zelfs binnen één jaar het twintigvoudige van de kosten van de training.

Kun je enkele voorbeelden noemen van succesvolle fondsenwerving?

Een dorp in Burkina Faso in een afgelegen plattelandsgebied had bijvoorbeeld 40.000 euro nodig voor een nieuwe school en enkele toiletgebouwen. Het dorp zelf bestond uit boeren, daar is weinig bij te halen. Ze dachten toen na over wie er in de stad was gaan wonen en het gemaakt hadden. Sommige van die vertrekkers bleken heel vermogend te zijn geworden en het bedrag was in een keer bij elkaar. Een ander voorbeeld was in de plaats Nkoilale in Kenia, waar Masai wonen. De organisatie wilde een kliniek construeren. De Masai wilden niet doneren, ze hadden alleen vee, zeiden ze. Dus besloot de organisatie een koeien- en geitenveiling en -loterij te organiseren. Enthousiast geworden wilden de Masai wél vee doneren. En vervolgens werden de koeien verloot en geveild, in sommige gevallen zelfs aan de oorspronkelijke eigenaar. En is de kliniek er gekomen.

Dat laatste is toch eigenlijk best raar..

Dat vinden wij misschien, maar het gaat om culturele gewoontes en de visie die mensen hebben op geven. Daar moet je op aansluiten. In sommige culturen, zoals in India, is bedelen een beroep en geef je aan beroepsbedelaars, maar is het heel gek om zomaar aan een collectebus te geven. Dus moet je creatief zijn. In India hebben werkloze jonge leraren bijvoorbeeld een project opgezet voor kinderen uit de ‘slums’ die niet meer naar school gingen. Ze wilden zo bovendien zelf ervaring opdoen. Ze organiseerden theater- en dansvoorstellingen samen met de kinderen en vroegen daar een kleine bijdrage voor waaruit ze betaald konden worden. Daar kwamen ouders op af die zich weer gingen realiseren hoe belangrijk onderwijs is. Een gevolg was dat de ouders hun kinderen niet alleen weer les lieten krijgen, maar bovendien eten mee gingen geven. Daarvoor hingen de kinderen met een lege maag en zonder les rond.

Wilde Ganzen is een voorloper op dit gebied, merk je dat andere organisaties naar jullie toe komen voor advies?

Dat begint wel steeds meer te komen, ja. En niet alleen Nederlandse organisaties. Civivus, de mondiale alliantie voor organisaties in het maatschappelijk middenveld, is heel enthousiast en wil eigenlijk al haar lidorganisaties laten trainen. Dat is niet verwonderlijk, want het maakt de organisaties niet alleen minder afhankelijk van Westerse donoren. Het maatschappelijk middenveld krijgt wereldwijd steeds minder ruimte. Volgens Civicus is dat na klimaatveranderingen op dit moment de grootste mondiale dreiging. Overheden doen dat onder andere door organisaties als verlengstukken van het Westen neer te zetten. Ze krijgen immers financiering vanuit het Westen. Als ngo’s lokaal kunnen fondsenwerven kunnen ze van hun overheden dat verwijt minder snel krijgen.

En er is nog een voordeel. Jelmer Kamstra toonde in 2014 in een proefschrift aan dat lokale organisaties hun oor te veel laten hangen naar de wensen van Westerse donoren en daarmee loskomen van hun eigen gemeenschappen, de mensen voor wie ze het doen. De thema’s waar ze mee aan de slag gingen (de thema’s die zoals boven beschreven ook nogal eens wisselen) waren soms helemaal niet de prioriteiten van de lokale gemeenschappen. Met lokaal fondsenwerven is dat probleem uiteraard verholpen. Denk maar niet dat je geld bij elkaar krijgt voor iets dat mensen niet echt belangrijk vinden.”

Geïnteresseerd geraakt?

Het programma van Wilde Ganzen heet Change the Game Academy en biedt een combinatie van leren in groepen, online learning en coaching. Naast lokale fondsenwerving kunnen lokale organisaties uit lage- en middeninkomenslanden ook leren hoe ze de overheid moeten aanspreken op het nakomen van diens verplichtingen. De online cursussen zijn wereldwijd gratis te volgen op https://www.changethegameacademy.org