Renée Steenbergen: Cultuur zit in de goede hoek voor mecenaat

In haar boek De Nieuwe Mecenas omschrijft publicist, onderzoeker en adviseur op het gebied van kunstmecenaat, Renée Steenbergen, hoe particulieren meer bij de kunst betrokken kunnen worden. De mecenas is een vriend en liefhebber van de kunst, iemand die kunst of kunstenaars ondersteunt met geld, maar ook met belangstelling en betrokkenheid. Wat zijn de mogelijkheden voor het kunstmecenaat in Nederland? We zijn een gul land en staan internationaal gezien op de derde positie van geeflanden. Maar van de miljarden die jaarlijks naar goede doelen gaat, wordt er ‘slechts’ een beperkt deel gegeven aan de cultuur. 

Waarom is het geven aan goede doelen in een verder stadium dan het geven aan kunst?

‘De goede doelensector is van oudsher een fondsenwervende sector en heeft zo’n 20 jaar voorsprong wat betreft fondsenwerving, campagnes en relatiebeheer, ze hebben zich altijd gewend tot de bevolking. Dit in tegenstelling tot de cultuur: het beeld is dat die sector met de rug naar de maatschappij staat. Daar moet wat aan gebeuren. De kunst heeft als ‘nadeel’ dat het de schone schijn heeft. Op het podium, voor de coulissen, ziet het er allemaal heel mooi uit, daar wordt tenslotte ook alles voor gedaan.

Maar daarachter zitten al twintig jaar niet verbouwde, kleine kleedkamertjes en gebruiken ze steeds weer dezelfde decors die ze een beetje bijschilderen. Het wordt zo onzichtbaar mogelijk gehouden dat er steeds meer gaten in de begroting vallen. Terwijl het zichtbaar maken helpt bij bewustwording. De goede doelen sector brengt juist het leed in beeld –zoals armoede of honger-, maar bij cultuur blijft de nood vaak abstract voor mensen.’

Leeft er onder de middenklasse dat de verantwoordelijkheid van particuliere giften voor de kunst bij de elite ligt?

‘Dat dreigt een beetje omdat kunst nu in de hoek van elitair of linkse hobby wordt gezet. Men moet zich realiseren dat gemiddeld 70% van de giften van kleine gevers komt en 30% van de grote gevers. We zijn er dus echt niet als we denken dat we een paar rijke mensen kunnen interesseren voor de cultuur, dat is niet de oplossing. Grote gevers zijn niet de belangrijkste begunstigers. Dat is een verkeerde aanname op basis waarvan een hele sector aan het werk gaat, dat vind ik zorgelijk. Er wordt heel weinig onderzoek gedaan en veel fondsenwervers geloven eigenlijk niet dat zo’n hoog percentage afhankelijk is van kleine gevers. Er leeft het idee van grote stappen, snel thuis: als ik een paar gevers vind die een ton willen geven, dan schiet het lekker op.’

Wil de kunstwereld eigenlijk wel afhankelijk zijn van mecenaat?

‘De kunstwereld is ambivalent. Enerzijds is mecenaat een nog weinig aangeboorde bron en het kan een interessante ontwikkeling zijn. Anderzijds heerst er snel wantrouwen want men is bang dat gevers willen meeregeren en zich willen bemoeien met beleid. Dat kan niet in Nederland, wij hebben een governance-regeling waarin we macht en invloed hebben gescheiden van geld. Bij het prestigesysteem zoals in Amerika, kun je je letterlijk inkopen en dan kun je ook wel eens zeggen; ‘moeten we dat schilderij wel aankopen?’ Dat kennen we hier niet.’

Dus het cultureel aanbod wordt niet bepaald door de mecenas?

‘Nee, het wordt absoluut niet bepaald door een bestuur of een raad van toezicht. Dat is een onredelijke angst die helemaal niet gebaseerd is op de realiteit.’

In uw boek omschrijft u dat de klassieke mecenas een anonieme gever is, vaak om calvinistische reden?

‘Mensen zeggen vaak: als je goed doet moet je jezelf niet op de borst slaan. Gelukkig beseffen steeds meer gevers dat ze met anonimiteit geen voorbeeldfunctie vervullen. Daarom haal ik in mijn boek bekende mecenassen naar voren. Morris Tabaksblat, Karel Vuursteen, Sylvia Tóth, dat zijn mediapersoonlijkheden.

Zo’n naam geeft een zeker keurmerk aan een organisatie, maar ook aan het fenomeen van geven. Het gezegde ‘goed voorbeeld doet volgen’, geldt heel erg voor geefgedrag. Om deze reden stimuleer ik mensen ook om een naam te verbinden aan hun fonds. Fondsen op naam komen er steeds meer, zoals bij het Rijksmuseum. Het geven wordt hiermee verpersoonlijkt, dat werkt altijd beter dan abstracte doelen en anonimiteit. Een gezond geefklimaat is gebaat bij openheid.’

Vinden Nederlandse kunstinstellingen het ook moeilijk om te vragen, wellicht vanuit diezelfde calvinistische overwegingen?

‘Ik zeg weleens plagend dat vooral mannelijke directeuren het vragen heel graag uitbesteden, die vinden dat vernederend. Dat is vreemd, je vraagt het toch niet voor jezelf?

Je vraagt het voor de goede zaak. Niemand vindt het leuk om financiële steun te vragen, maar de contacten met zo’n gever, die betrokkenheid, dat is wèl interessant. Onder directeuren heerst wat arrogantie, sommigen voelen zich er een beetje te goed voor.

Maar het is niet effectief om iemand tussen de potentiële gever en de organisatie te schuiven, dat moet je helemaal niet willen. Directeuren zijn het gezicht van hun organisatie en zij zitten daar nog jaren: de gever hopelijk ook. Daar moet het klikken. Hoe rechtstreekser het contact, hoe groter de betrokkenheid, des te hoger en consistenter de giften.’

Dus het mecenaat moet zich op structurele steun richten en niet op eenmalige giften?

‘Ja. Je hebt niet zoveel aan incidentele fondsenwerving, dat gaat uit van tekort financiering. Er moet een gat gevuld worden, men moet het programma rondkrijgen of de renovatiekosten moeten gefinancierd worden. Maar dan? Maak er lange lijnen van, dan kun je mensen ook langer vasthouden. Vraag of mensen je vijf jaar willen steunen: dan zitten zij in de maximale giftenaftrek en de organisatie kan structureler de gift benutten en heeft meer armslag. Dan maakt de gever echt een verschil en daar zijn mensen gevoelig voor. Dan komt de betrokkenheid direct in zicht.’

Is het niet vreemd dat de rol van kunstfinanciering ineens voor zo’n groot deel bij de particulier komt te liggen?

‘Er is sprake van politiek opportunisme. Het komt het kabinet nu heel goed uit om het mecenaat naar voren te schuiven, maar men heeft geen idee hoeveel mensen dat behelst, wat die mensen zouden kunnen geven en wat dat op zou kunnen leveren.

Wij doen daar in Nederland eigenlijk geen onderzoek naar en dat is schrijnend als we het vergelijken met landen als Engeland en Duitsland. Daar wordt alles onderzocht, tot en met de gemiddelde gift achter de komma. Binnen Londen en daarbuiten. Dat is hele belangrijke kennis, omdat je anders handelt op basis van aannames in plaats van feiten.

Als de overheid serieus is met dat mecenaat, dan moet ze natuurlijk niet de BTW voor entreebewijzen verhogen. Als je ondernemerschap wilt stimuleren, dan moet je niet de kaartjes op zo’n nutteloze manier duurder maken. Dat is gewoon een belastingstraf die er bovenop ligt. Je moet kaarten duurder maken als de reële kosten omhoog gaan.’

Is particuliere financiering realistisch en solide gezien de crisis?

‘Een crisis heeft natuurlijk altijd twee kanten. Aan de ene kant zijn mensen voorzichtiger met hun uitgaven, aan de andere kant beseffen mensen meer de urgentie van hun steun. Ze lezen kranten, kijken televisie en zien dat er heel zwaar bezuinigd gaat worden binnen de kunstsector en realiseren zich dat iedere gift echt een verschil maakt.

Dat is een heel belangrijk geefmotief. In dat opzicht ben ik optimistisch over de mogelijkheden van het mecenaat.’

Doet de overheid voldoende om de ontwikkeling van het mecenaat te stimuleren?

‘Particulier initiatief is particulier initiatief, dan moet je niet de hele tijd naar de overheid wijzen. Mecenaat komt uit de private sector voort en dat heeft zijn eigen dynamiek.

Ik vind wel dat de overheid met kapitaalvernietiging bezig is als ze nu heel snel die overgang wil maken. Men kan best bedenken dat er wat ontwikkelingstijd nodig is om het mecenaat te laten opbloeien.’

Zou u graag zien dat cultuurfinanciering evolueert naar een Amerikaans model?

‘Ik denk niet dat dat realistisch is. Ten eerste omdat wij in Nederland een totaal ander stelsel hebben. Het Rijnlands model is wezenlijk anders dan het Angelsaksische model.

In Amerika is heel lang veel minder belastinginning geweest en de nadruk gelegd op het directe geven. In Nederland is dat andersom: wij hebben die taak toevertrouwd aan de overheid. We geven indirect door belasting af te dragen. Hierover wordt democratisch besloten door het parlement en wordt evenredig verdeeld over welzijn, gezondheidszorg, cultuur, defensie etc.

Maak je het geven meer direct, dus primair via individuele keuzes van particulieren, dan onttrekt zich dat aan het democratische proces. Dat moeten we ons wel realiseren.

Het Angelsaksische model staat in een aantal opzichten haaks op de egalitaire manier van denken in West-Europese landen.

Als je Amerikanen spreekt, ook democraten, dan valt het op dat ze verbijsterd zijn door onze re ex: dat doet de overheid toch? Amerikanen wantrouwen de overheid, big brother mag niet achter de voordeur kijken. Wij zijn precies andersom. De kerngedachte van de verzorgingsstaat is dat de overheid een neutrale, betrouwbare vader guur is die voor ons zorgt. Die gedachte wordt nu omgevormd, waardoor we ook die ‘overheidsreflex’ moeten omvormen.’

Creëren de bezuinigingen en de crisis juist geen wantrouwen jegens de overheid, waardoor het mecenaat wordt gestimuleerd?

‘Wij hebben de overheid groot gemaakt, en die wil dat nu terugschroeven, want de verzorgingsstaat is erg duur geworden. Om dat te stabiliseren zal ze aanspraak moeten maken op de civil society, de verantwoordelijkheid van individuele burgers.

We zijn geefland nummer 3 in de wereld, maar tegelijkertijd zien we de verhuftering van de samenleving. Dat is misschien een bijeffect van het leunen op vadertje staat, een gevolg van de enorme individualisering. Maar een onbetrouwbare overheid is geen stimulans voor mecenaat, dat blijkt uit onderzoek. De politiek moet zich goed realiseren dat mensen geen gaten in de overheidsbegroting vullen- daar hebben ze immers al belasting voor afgedragen.’

Kunnen de mecenassen het wegvallen van subsidies in de kunstsector opvangen?

‘Nee, het zal altijd een gemengd model zijn in Europa, wat het meest stabiel en conjunctuurbestendig is. Dit betekent een combinatie van een overheid die zorgdraagt voor de basiskosten en private partijen die de extra’s meefinancieren, de parels in de programmering en bijzondere aankopen.
Particulieren betalen niet voor de verwarming en de suppoosten, dat gaat echt niet gebeuren.

Bovendien is mecenaat geen korte termijn oplossing. Ga maar uit van vijftien tot twintig jaar, omdat er een grote mentaliteitsverandering moet plaatsvinden. Bij de kunstorganisaties om te beginnen, die onderling nog bitter weinig samenwerken. Maar ook bij gevers is een mentaliteitsverandering nodig. Er bestaat snel de reflex dat de financiering van cultuur, welzijn en gezondheidszorg een overheidstaak is, het wordt nu duidelijk dat de overheid dat niet meer allemaal op zich zal nemen.

Gezondheidszorg is het meest gewild bij particulieren, vooral bij de grote gevers, en dan komt cultuur. Dus cultuur zit in de goede hoek voor mecenaat.’

Om de communicatie tussen de particuliere gevers en kunstorganisaties te verbeteren heeft u de stichting “Geef om cultuur!“ in het leven geroepen. Hoe kan de kunstsector meer gevers aan zich binden?

Er heersen cultuurverschillen tussen particulieren en musea. Musea hebben weinig tijd en mensen beschikbaar voor relatiebeheer, terwijl dat vooraf gaat aan giften.

Particulieren geven aan dat ze al jaren lid zijn van een vriendenvereniging, maar dat er nog nooit iemand op ze is afgestapt. Daar is méér aan de hand dan tijd of personeelsgebrek, dat is ook desinteresse. Zolang dat nog zo is, zal er niet zoveel veranderen.

Als een museum zelf een schilderij kan kopen dan is dat leuker dan het lenen of krijgen, en ze hoeven geen dankjewel te zeggen. Dat proberen mensen toch koste wat het kost te vermijden. Dat zit er zo diep ingebakken, die koestering van de autonomie. Particuliere collecties lopen heel vaak synchroon met wat de musea kopen. Ik zie een boterberg aan kunst in particulier bezit die desondanks niet welkom is bij musea- dat is absurd natuurlijk.

Met de veranderende financieringsbronnen voor cultuur zal dat veranderen, er zullen nieuwe allianties worden gesloten. De stichting loopt daarop vooruit en biedt verzamelaars hulp bij het herbestemmen van hun collectie. Niet alleen in musea, maar ook in schouwburgen, theaters, revalidatiecentra en ziekenhuizen. Kunst heeft de kracht om verschillen te overbruggen en mensen in de gehele samenleving te boeien- daar kan de sector zijn voordeel mee doen.’

Over Renée Steenbergen
Renée Schrijfster is schrijfster van het boek De Nieuwe Mecenas en tevens oprichtster van het centrum ‘Geef om Cultuur!’.
Dit interview hebben we eerder in onze uitgave "Kunst en cultuur in beeld" opgenomen. Zie ook ons dossier over cultureel ondernemen.